|
Het is een vergissing om te denken dat de Franeker Kaatspartij dateert uit 1853. Vóórdat de Permanente Commissie de wedstrijd organiseerde, was er bij de kranten geen enkele redactionele belangstelling voor welke sport dan ook (Kalma p. 78), hoewel het kaatsseizoen toen ook al liep van half mei tot half september, en het Franeker Oud Kaatsveld tijdens de hoogtijdag met zoveel mensen werd omringd, dat de politie de menigte op afstand moest houden (Rede Bogtstra 1893, p29). Vergeten zijn dus de herinneringen aan de helden van de Franeker Kaatspartij (ofwel de “Balverkaatsersdag”) van weleer; mogelijk mede ingegeven door het economisch belang van de herbergier, dat meer telde dan (het levend houden van) de eer voor kaatsers. De oprichters van de PC hadden een heel ander, meer klassiek, beeld voor ogen getuige de aandacht voor het ideële: aandacht voor sporthistorie, lange redes over de kaatssport, mythologische voorstellingen op de tribunes, aandacht voor vroegere winnaars. Van de kaatsers, die vóór 1853 hebben uitgeblonken, weten we van sommigen nog een naam of bijnaam: Sipke Dirks Wassenaar (1810), Hendrik Zaadstra (1819), T. Pollema (1829). Rond 1830 de topspelers Klaas Kuiken, Marten Kramer, Andries Tiemersma, Sjerp Talsma en Obe Bangma. Enige jaren daarna Johannes Nijdam en Pieter Bakker. Weer later Klaas Hantsjes, Cornelis Proost, Ulbe Dijkstra, Hessel Brijker, Pieter Alkema, 'Manne Roek', 'Douwe Mûteltsje', 'Grouwe Ieme', Haaije van Oosterend en Willem Kûper (Kalma p127). Hoewel het kaatsseizoen lang was, was in de 18e eeuw de "Balverkaatsersdag" dé hoogtijdag. Deze vond immer plaats tijdens de kermis (Kalma p 62), die overigens destijds veel belangrijker was dan wij nu vaak denken. Toen hadden de mensen veel minder verstrooiing dan nu; het was dé plaats en tijd waar het hele volk op af kwam.
|